Geschiedenis

Al in de 13de eeuw leefden er mensen met de achternaam Van Nispen. Maar de geschiedenis van de Van Nispens lijkt echt te beginnen bij een zekere Claes van Nispen die anno 1328 Schout en Drossart van de Stad en Lande van Breda was. Claes van Nispen ontvangt in 1329 van de Heer van Bergen op Zoom een leen, gelegen tusschen de 'Wolbrake en Hotmar' bij Rosendaal, zoals blijkt uit het extract van het oud Leenboek van de Stad Bergen op Zoom. Zoals uit de brieven van Hertog Jan van Brabant blijkt, bezat hij mede de schutterye of Schutgerigte van de drie dorpen Woude, Nispen en Rosendaal. Zijn zoon Wouter van Nispen ontvangt van Hertog Jan van Brabant, anno 1331 om de goede diensten die hij en sijn vader Nicolaas hadden gedaan een zekere Hoeven omtrent Rosendaal.  De nakomelingen van deze Claes waren Burgemeester (Willem van Nispen in 1425) en Drossart van Breda (Adam van Nispen in 1447). De familie breidde zich uit naar Dordrecht en Antwerpen. In verschillende gedrukte (maar niet foutloze) genealogieën wordt daarom gesproken van een edel geslacht dat deels te Antwerpen en Breda, deels te Dordrecht hoge ambten bekleed had.

Tot zover de vroege geschiedenis van de zogenaamde Brabantse tak. De Zeeuwse tak waar de huidige adellijke familie Van Nispen vanaf stamt is volgens enkele genealogieën in de veertiende eeuw aan elkaar gekoppeld. Daardoor heeft de Zeeuwse tak dezelfde vroege geschiedenis als de Brabantse tak.

De Zeeuwse tak wordt de Geldersche tak als Johan Adriaen van Nispen met Aurelia ten Haeghen trouwt en van Leiden naar Genderingen (Gendringen) verhuist. De jongste zoon Christiaan Frans wordt op 13 januari 1753 door Jan Baptist van Hohenzollern, Graaf van den Bergh, etc. aangesteld als 'stadtholder' en schepen van Pannerden. Daarmee begint een 110 jaar durende zakelijke relatie tussen het huis Bergh en de familie Van Nispen.

Batavia Illustrata, Hoofdstuk XII, OUD BATAVIEN, blz. 1025, Simon van Leeuwen, 1685 • De oudste generaties van Nispen te Bergen op Zoom in de 16e eeuw, A.J.M. van Nispen tot Pannerden, 1967, blz. 16